Elke week nemen vier auteurs met roodgele roots je mee in hun wereld van Go Ahead Eagles. Martijn Jongbloed, Edwin Lugt, Toon Schuiling en Jan-Willem Klink delen hun kritische blik, persoonlijke verhalen en scherpe observaties over alles wat de club bezighoudt. Soms opiniërend, soms verhalend, soms messcherp of juist warm en betrokken – maar altijd met rood-geel bloed in hun aderen. Deze week is de beurt weer aan Martijn.
Donderdag, 12:40 uur.
Een telefoon trilt op tafel tussen een half opgegeten boterham en een stapel boeken waar ‘wiskunde’ op staat, maar ‘avondje vrij’ had kunnen staan. In het scherm: een roosterwijziging. Lokaal 2.14 vervalt. In plaats daarvan: inhaaltoets. Precies op het moment dat er 70 minuten nodig zijn om van school naar training te komen, met een rugtas die altijd zwaarder lijkt als je haast hebt.
Dit is de onzichtbare wedstrijd.
Niet op zaterdag, als de tribune roept en iedereen ziet wie scoort. Maar op donderdagmiddag, als niemand klapt voor de keuze tussen ‘blijf’ en ‘ga’. Als een ouder in de auto zachtjes zegt: ‘Wat wil je nou echt?’ terwijl de navigatie de snelste route geeft en het hoofd van een 15-
jarige ergens halverwege blijft hangen.
Iedere voetbalacademie in Nederland kent dit. De driehoek. Speler, ouder, school. En daarboven die ene zin die iedereen keurig uitspreekt: duaal leren is belangrijk. Alsof je daarmee het rooster meebuigt.
Bij ons is het niet anders. Alleen: wij doen alsof het normaal is dat een dag om half negen begint in een klaslokaal dat ruikt naar whiteboardstift en natte jassen. Dat je om kwart voor twee al opstaat van je stoel omdat je ‘even moet plassen’ maar eigenlijk je tas al wil pakken. Dat je om 16:30 op het veld staat, voetbalschoenen nog half open, omdat je net iets te hard de bocht nam bij de rotonde. Training tot 18:30. Douchen. Broodje naar binnen. Dan thuiskomen tussen half acht en half negen. En dan nog eten en huiswerk? Ja. Voor sommigen wel. Voor sommigen… ook. Maar dan met slaperige ogen en een rekenmachine die op automatische piloot staat.
En toch. Je ziet ze het leren.
Niet omdat iemand een PowerPoint over plannen heeft gegeven, maar omdat het moet. Je ziet een jongen in de kleedkamer met een agenda-app open terwijl zijn teamgenoot zijn scheenbeschermers zoekt. Je ziet een meisje in de bus haar samenvatting doorlezen met
oortjes in, terwijl achterin wordt gediscussieerd wie de beste rechtsback van de wereld is. Je hoort: ‘Ik kan pas om negen uur, ik moet eerst leren.’ En je denkt: dat klinkt volwassen. Alleen is het nog steeds een kind dat straks thuis komt en vraagt of er nog pasta is.
Wij vinden school en de ontwikkeling van de mens achter de voetballer geen bijzaak. Niet als slogan, maar als iets dat je terugziet in hoe je iemand opvangt als een cijfer tegenvalt. In hoe je een gesprek voert als een docent mailt dat afspraken niet worden nagekomen. In hoe je niet meteen naar ‘minder trainen”’ grijpt, maar eerst naar ‘hoe ziet je week eruit?’
Daarom rijden we langs bij nieuwe spelers in de onderbouw. Huisbezoeken. Keukentafel. De hond die altijd net op je schoen gaat liggen. Een ouder die koffie inschenkt en zegt: ‘Hij wil zo graag.’ Een kind dat naar de grond kijkt en ondertussen met zijn duim over het clublogo
wrijft. Daarom doen we POP-gesprekken. Jaarlijks. Meerdere. Niet om het kind vol te hangen met doelen, maar om ruimte te maken: wat gaat goed, wat schuurt, wat slokt op, wat geeft energie.
Want topsport is een tijdelijk beroep. Dat hoeft niemand uit te leggen als je een geblesseerde knie ziet en een week later de gemiste toetsweek. En heel eerlijk: voor de meeste van onze spelers en speelsters ligt de toekomst na de opleiding niet ‘tussen de lichtmasten’. Voor de meesten begint daarna de grote mensen wereld. Dan wil je dat ze daar binnenstappen als de beste versie van zichzelf. Met een rugzak die niet alleen gevuld is met wedstrijdminuten, maar ook met vaardigheden, verantwoordelijkheid, eigen regie.
Onze visie is altijd geweest: laat kinderen in hun eigen omgeving naar school gaan. Dichtbij. Met vrienden. Met een leven dat niet alleen om voetbal draait. Als iemand afvalt, hoeft hij niet ook nog van school te wisselen. Dat fundament vinden we waardevol.
Tegelijk kijken we continu: wat vragen we? Van die kinderen. Van die ouders. Van die scholen die meestal geen topsportschool zijn. Roosters aanpassen, vrijstellingen, inhalen, resultaten, discipline, reistijd. Soms loopt het soepel. Soms stroef. En soms sta je met z’n allen aan dezelfde kant van de tafel, maar toch tegenover elkaar.
Daarom onderzoeken we nu ook of een topsportschool een volgende stap kan zijn voor onze academie. Niet als makkelijke uitweg, maar als serieuze vraag: hoe organiseren we ontwikkeling zo dat het kind niet het elastiek is tussen drie systemen? En ja, we doen mee aan EDU-DC vanuit de KNVB, omdat we meer willen betekenen buiten het veld. Omdat dit ook opleiding is.
En dan, donderdag 12:40, dat schermpje weer.
Roosterwijziging. Inhaaltoets.
De ouder kijkt in de spiegel. Het kind kijkt naar zijn schoenen. En ergens, tussen schoolbel en trainingsfluit, hangt de vraag die we niet ‘kapot willen coachen’, maar wel moeten durven laten bestaan:
Als je nu één keuze maakt voor vandaag… welke versie van jezelf train je dan eigenlijk?






















